Snekertrekweg 1
8912 AA Leeuwarden
058 303 0482

Het vuile werk van de vergroening

2 oktober 2021
Het vuile werk van de vergroening

Een gastbijdrage van Tabitha Lasley, de originele versie staat hier (link)

In 2015 verhuisde ik naar Aberdeen, oliehoofdstad van het Verenigd Koninkrijk, om over de levens te schrijven van mensen uit de offshore. Ze waren makkelijk te vinden. De bars en pubs van de stad zaten er vol mee. Stevig aan de drank. Smijtend met geld. Opvallend aan het consumeren.

Als ik met deze mannen sprak kwam de klimaatverandering zelden aan bod. Zij waren in die tijd bezig met een veel directere crisis: de olieprijs. De wereldmarkt werd overspoeld met goedkope olie, de prijs van Brentolie kelderde, en bedrijven gingen van de ene bezuinigingsronde naar de andere. 

Wanneer de werkers me zeiden dat het met de Noordzee afgelopen was, wat ze vaak deden, doelden ze op de voorraden. Een olieveld is niet voor de eeuwigheid, voorraden zijn voor vijftig jaar goed. En inderdaad, nadat ik uit Aberdeen was vertrokken zijn een paar van de oudere olievelden (waaronder de Brentolievelden, waar de Noordzee-olie naar is genoemd) afgebouwd, platforms zijn ontmanteld en verscheept.

De bedrijfstak was nog maar net hersteld toen de pandemie toesloeg, die de waarde van de olie opnieuw wegvaagde. Tijdens Covid was er een historisch dieptepunt van minder dan 0 dollar per vat. 

Arbeiders in de olie hebben altijd in onzekerheid geleefd, het stijging/dalingskarakter is in de inhuur-en-ontslag-praktijken van de branche terug te zien. Maar deze neergang voelde anders. In de zes jaar sinds ik was vertrokken was het gesprek over klimaatverandering zo overheersend geworden, dat het niet meer ontkend kon worden. Wat voorheen een simpele kwestie van aanbod was, had een sombere, existentiële bijklank gekregen: zit er wel toekomst in de olie?

,,Jongere arbeiders denken daar zeker over na’’, zegt Rosemary Harris, woordvoerder van campagnegroep Platform. ,,Ze weten dat olie en gas er niet eeuwig zullen zijn. Ze kijken hoe ze hun kunde op andere plekken kunnen inzetten.’’

Veel arbeiders willen de overstap maken naar duurzame energie. In theorie zou dat simpel moeten zijn. In de praktijk is het dat niet.

Windenergie en olie worden aangestuurd door verschillende regelgevende instanties, zodat arbeiders voor elke sector verschillende kwalificaties nodig hebben. De cursussen gaan voor een groot deel over hetzelfde, zodat arbeiders eigenlijk twee keer betalen. Omdat veel van hen zelfstandig werken, draaien ze zelf voor die kosten op.

Het heersende idee is dat duurzame energie het werk van olie en gas over zullen nemen. Maar voor windenergie is minder mankracht nodig, zoals voor veel schone technologie.

Een olieplatform vereist een ploeg van 150 man. Een windpark van 57 turbines kan met elf man toe.

Elektrotechnicus Gordon Allen was boventallig geworden bij de laatste neergang. Hij besloot zich om te scholen in windenergie, maar is intussen weer terug bij de olie.

,,Ik haalde in januari mijn papieren. Ik kreeg geen werk, tot aan mei toe. Ik stuurde voortdurend sollicitaties. Het was of ik weer een tiener was: bij alle banen vroegen ze om ervaring, maar je krijgt geen ervaring als je geen baan hebt.’’

Het is een uiterst laat-kapitalistische oplossing: stel de noodzaak vast voor een verandering van het systeem, en leg dan de verantwoordelijkheid bij het individu. Zie ook de enorm onverstandige tweet van BP uit 2019, die volgers aanspoorde om hun ‘belofte’ te delen over de CO2-voetafdruk (die als grootste respons uitlokte: ‘Ik beloof geen 4,9 miljoen vaten olie in de Golf van Mexico te vermorsen’, wat erop lijkt te wijzen dat mensen minder goedgelovig zijn dan BP mogelijk had gehoopt).

Bedrijven bieden ons ‘schone’ alternatieven, alsof die een wereld van verschil maken. Wat ze niet noemen is het maakproces,

of de leveringsketen, met elk hun valkuilen van verspilling. Als we het hele proces van een product bekijken, vanaf het maken tot het weggooien, zijn de voordelen ervan vaak denkbeeldig.

Elektrische auto’s hebben lithium nodig, verkregen door bovengrondse mijnbouw of grote verdampingsbassins, die de kwetsbare ecologische balans in de woestijn verstoren. Aardwarmte-energie kan de watervoerende lagen besmetten en drinkwatervoorraden vervuilen. Windmolens kunnen vogels doden. Zonneweiden zijn enorm, en afgedankte zonnepanelen lekken uiteindelijk giftig afval.

,,Elke keuze van een koper heeft een impact’’, zegt Guillaume Pitron, schrijver van The rare metals war, The dark side of clean energy and digital technologies. ,,Er is geen technologie met impact nul. Die bestaat niet. Zelfs als ik een groene keuze maak uit een gevoel van verantwoordelijkheid, uit bereidheid om goed te doen voor de planeet, heeft het uiteindelijk ergens anders toch een enorme impact, duizenden kilometers verderop.’’

Pitron weet daar meer van dan de meesten van ons. Hij maakte verschillende reizen naar Baotou, in Binnen-Mongolië, waar de helft van alle zeldzame aardmetalen voor China vandaan komt.

Zeldzame aarden zijn een groep van zeventien zware metalen, die in smartphones zitten, in tablets en in groene technologie als elektrische auto’s en windturbines. Enkele zijn radioactief, allemaal worden ze in minuscule hoeveelheden gebruikt. 

De manier om ze te winnen en raffineren eist een tol, die buiten proportie is. Het gebied rond Baotou is een maanlandschap van open mijnen, zwarte meren vol slib en koeltorens die dikke grijze rook uitbraken: denk aan de film Mad Max, maar dan in één kleur. Pitron schrijft over dorpen uit de omgeving waar mannen van nog geen dertig wit haar hebben en waar kinderen geen tanden krijgen. 

,,Het raffineren gebeurt aan de randen van de stad’’, zegt hij. ,,De raffinaderijen spreiden zich uit over verschillende hectares en gebruiken veel chemicaliën om de elementen te verfijnen. Het water (van dit proces) wordt in de omringende meren geloosd. Er is een die de Weikuang Dam heet, die enorm is en gevuld met ongezuiverd afvalwater. De plaatsen rond dit meer hebben de bijnaam kankerdorpjes.’’

Baotou is een milieuramp op grote schaal. Maar in Zuid-China is de situatie nauwelijks beter. Hier maken bendes van illegale mijnwerkers kleinere putten in de grond. ,,Een paar mannen gaan het bos in, graven een gat, gooien er zuur in en wachten twee dagen’’, legt politiek wetenschapper Eugene Gholz uit. ,,Ze scheppen het zeldzame aardmateriaal dat bovenop het zuur drijft eraf en laten het dan liggen. De bedrijfstak is verloederd. Arbeiders staan bloot aan zuur en afvalstoffen. Het ergste is nog dat mensen dit ambachtelijk mijnwerken noemen, om het beter te laten klinken! In The New Yorker stond een lang artikel over ‘ambachtelijke’ mijnen in Congo. De term wordt overal gebruikt.’’

Omdat zorg voor het milieu voorgesteld wordt als iets dat met de keuze van consumenten te maken heeft, wordt de discussie daarover vaak afgeschilderd als een veldslag tussen de klassen: de weldoorvoede, fietsende elite versus de hamburgerschrokkende, Easyjetvliegende harde werkers. Inzet voor de planeet blijkt niet uit activisme, maar uit dure aankopen: het biologische boodschappenlijstje, de elektrische auto. Wat vreemd is, wanneer je bedenkt dat de arbeidersgemeenschappen vooraan staan in deze crisis. Als je arm bent, zit je vast in je omgeving. Je kunt het je niet veroorloven om te verhuizen van de stortplaats, de energiecentrale, de steenberg. Je hebt de middelen niet om aan overstromingen, orkanen, branden te ontkomen. Je moet blijven en de gevolgen doorstaan. 

In Bristol, een stad in zuidwest Engeland, staan de groene plannen van inwoners uit de middelklasse vaak tegenover de dagelijkse levensomstandigheden van arbeidersgemeenschappen. In 2015 werd Bristol de European Green Capital van het Verenigd Koninkrijk. Er kwam volop geld voor het centrum, terwijl buitenwijken als Avonmouth buiten de boot vielen. 

In Avonmouth is een fabriek waar balen afval verbrand worden voor brandstof. Bewoners klagen al jaren over de luchtkwaliteit. De fabriek is al eens beboet, vanwege betrokkenheid bij een vliegenplaag die zo heftig was dat de mensen onder netten moesten eten. Maar toen het bedrijf eerder dit jaar een vergunning aanvroeg om uit te breiden, zag de gemeenteraad geen reden om die te weigeren.

,,Voor mensen uit de arbeidersklasse is het moeilijk in beweging te komen’’, zegt dr. Karen Bell, sociale wetenschapper aan de University of the West of England in Bristol en schrijfster van Working-class environmentalism. ,,Ze zijn niet zeker van hun banen, vaak hebben ze veel zorgtaken, ze kunnen alledaagse bezigheden niet uitbesteden, zoals mensen uit de middenklasse kunnen. Campagnevoeren vereist een opleiding, vertrouwen, tijd en geld. Als je uit de middenklasse komt, wordt je aangemoedigd om elke vijf seconden je mening te geven. Kom je uit de arbeidersklasse, dan wordt je aangemoedigd om je mening voor je te houden.’’

Mensen uit de middenklasse hebben vaak banden met de media en in academische kringen; en zijn goed in staat om hun acties in de pers te laten verslaan. Zo kon Extinction Rebellion – gefortuneerde kinderen die tijd hebben om wegen te blokkeren en bijzaken te demonstreren – het gezicht van de klimaatpaniek worden. 

Maar zoals Bell betoogt, heeft milieu-activisme zijn wortels eigenlijk in de vakbondsbeweging. Vakbonden moesten hun eigen onderzoek doen om bescherming voor hun arbeiders voor elkaar te krijgen. ,,De strijd voor betere arbeidsomstandigheden was een milieustrijd’’, zegt Bell. ,,Er was een strijd over straling, lood, asbest. Al de vervuilers waarvan we weten dat ze slecht zijn voor onze gezondheid. Die gevechten hebben jaren geduurd. Bedrijven kwamen met eigen onderzoekers om de arbeiders in het ongelijk te stellen.’’

In de offshore bestaan die spanningen nog steeds. Rosemary Harris heeft van arbeiders gehoord die voor hun veiligheid vrezen. Overheidsregels dwingen bedrijven om op elk veld zoveel mogelijk te verdienen. Het komt er in de praktijk op neer dat mensen ontslagen worden. Minder werknemers aan boord betekent dat onderhoud terugloopt en zaken half gedaan worden. Productie gaat in magere tijden altijd voor uitvoering.

,,Mensen hebben nog steeds het idee dat wie in de olie of in gas werkt enorme bedragen verdient”, zegt Harris. ,,Maar in werkelijkheid is het ongelooflijk onzeker. Allemaal hebben ze contracten met echt slechte voorwaarden. En het werk is gevaarlijk.’’

Deze zomer ging ik weer naar Aberdeen. Ik was niet meer in de stad geweest sinds ik er zes jaar geleden was vertrokken. Ik was enigszins verbaasd hoe weinig het er was veranderd. Dezelfde sobere grijze straten. Dezelfde verstikkende calvinistische sfeer. Er was maar êên verschil, voor mij zeer opvallend. Nergens waren meer werkers uit de offshore.

Tabitha Lasley is journalist en schrijver en debuteerde dit jaar met haar roman Sea State, wij spraken haar daar eerder over in deze blog.

Andere berichten deze week