Snekertrekweg 1
8912 AA Leeuwarden
058 303 0482

VAN VERGADERBOER NAAR TREKKERACTIVIST

6 november 2021
VAN VERGADERBOER NAAR TREKKERACTIVIST

We geven graag het podium aan makers, mienskip, musea, of mensen met een opvallende mening. Die mening kan soms schuren met de jouwe, maar is evengoed welkom. Wil je reageren op dit stuk? Dat kan met een mail, of op onze social media. Deze keer is het oud-hoofdredacteur ven de Leeuwarder Courant Rimmer Mulder.


`Zijn we nou positief over de landbouw of niet?’ Attje Meekma, zelf veehouder, legde de vraag op tafel tegen het eind van een lange vergadering van de CDA-fractie in de Friese Staten over het `provinciale regeerakkoord’.  Bij de provinciale verkiezingen van maart 2019 was het CDA met acht zetels als grootste uit de bus gekomen en mocht daarom het voortouw nemen bij de onderhandelingen voor een nieuwe coalitie. 

In de samenleving was er van alles te doen over klimaatverandering en natuurbescherming. Tientallen organisaties en bedrijven palaverden maandenlang aan zogenaamde `klimaattafels’ over wat Nederland moest doen om de rampzalige opwarming van de aarde te keren. In Friesland was er groeiende onvrede over wat de moderne landbouw in het landschap had aangericht. Weilanden strak als biljartlakens zonder bloemen en kruiden en met steeds minder vogels.  Journalist Jantien de Boer van de Leeuwarder Courant maakte furore met haar boekje `Landschapspijn’. 

In 2017 voelde premier Mark Rutte zich geroepen het regeerakkoord van zijn derde kabinet aan te prijzen als `het groenste ooit’. CDA-leider Sander de Rouwe had geen behoefte aan zo’n kleurspoeling. Zijn partij had andere prioriteiten. Jantien de Boer had alle fractievergaderingen van het CDA over het coalitieakkoord mogen bijwonen. Haar verslag stond zaterdag 29 juni in de LC. Op minstens twee momenten had de fractie duidelijk moeten kiezen tussen klimaat en boerenbelang. In het veenweidegebied wordt het waterpeil kunstmatig laag gehouden voor de boeren. 

De gevolgen: veel uitstoot van broeikasgas CO2 en schade aan huizen door bodemverzakking. De PvdA wilde vastleggen dat de uitstoot van CO2 de helft minder moest. Niet doen vond Het CDA. De moet provincie moet zich niet vast leggen met een concreet percentage. Daar kon je later last mee krijgen. Geen `resultaatverplichting’!  En de schade aan de verzakkende huizen dan? De fractie was er snel klaar mee. Bodemverzakking hoort bij de natuurlijke ontwikkeling. Dat weten de die daar wonen zelf ook wel. Geen verantwoordelijkheid voor de overheid. De FNP had in de campagne geopperd dat op termijn de hele Friese landbouw biologisch moest worden. Moest daarover iets in het coalitieakkoord? 

In het finale concept kwamen de onderhandelaars uit op tien procent in 2030. Zou dat niet verkeerd vallen bij de boeren die CDA hadden gestemd? Attje Meekma had haar twijfels. Haar collega Maaike Prins, ook een statenlid met wortels in de boerensector, wist raad. Schrap dat percentage er gewoon uit. En zo geschiedde. 

De verwevenheid van het CDA met de boeren is gedateerd en alleen te verklaren uit de tijd dat Friesland nog een agrarische provincie was. Begin vorige eeuw domineerde de landbouw de economie en had daarmee een stevige greep op het openbaar bestuur. In de negentiende eeuw begrepen de boeren al dat ze als zelfstandige ondernemers samen sterker stonden. In 1852 richtten de veelal wat rijkere boeren de Friesche Maatschappij van Landbouw op. Ze wilden meer macht en aanzien voor de boerenstand en de productiviteit op hun bedrijven opvoeren. Met meer kennis over fokkerij, teelt- en rooimethoden, voer en bemesting  wilden ze betere boeren worden. Scholing en opleiding werden belangrijk.

Begin twintigste eeuw stond er in Friesland sterke, goed georganiseerde agrarische sector, dankzij samenwerking van boeren op breed terrein. De ruggengraat van deze Friese reus waren de coöperaties. Boeren zochten elkaar op voor  verwerking en afzet van hun producten. De eerste coöperatieve zuivelfabriek was die van Warga. Dat was in 1886. Tien jaar later waren het er al 44. In 1898 werd de Frico opgericht, een coöperatieve vereniging ging voor de export van zuivel. Dat werd een merknaam met wereldwijde bekendheid. Er kwamen coöperaties voor aankoop van voer en kunstmest. De onderlinge waarborgfondsen tegen de risico’s van brand en storm groeiden uit tot coöperatieve verzekeringen. Voor de modernisering en verbetering van de bedrijven was geld nodig en daarvoor kwamen er Boerenleenbanken. Rond 1910 waren dat er al 25. De zuivelfabrieken stichtten hun eigen Coöperatieve Zuivelbank.

De coöperaties zorgden voor banen en welvaart waar de hele bevolking van profiteerde. Als bijproduct droegen ze ook bij aan het kader van de boerenstand. Voor al die verengingen met allerlei dwarsverbanden en overlegstructuren waren bestuurders nodig met kennis en vaardigheden die  onder het melken niet kwamen aanwaaien. De `vergaderboer’ rukte op. Heren (hoogstzelden dames) die met kennis in elk gezelschap hun inbreng hadden. Als vanzelf doken ze op bij de overheid, in de politiek, in de besturen van scholen, bejaardenhuizen, ziekenhuizen, kortom in al die instellingen die het `maatschappelijk middenveld’ vormen. Voor praktisch elke functie kon de  landbouw met de verwante kringen wel een kandidaat regelen. In de economie lag het primaat in Friesland onbetwist bij het agrarisch complex van tuin- en akkerbouw, veehouderij, industrie, toeleveringsbedrijven en dienstsverlening. Als vanzelf kwam daardoor ook in de politiek het primaat bij de landbouw te liggen. 

Zo lag het land er bij in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het agrarisch complex stond na de Tweede Oorlog nog fier overeind. De landbouw kreeg na de bezetting zelfs de wind in de rug. De regering zette als reactie op de hongerwinter van 1945 in op modernisering en verbetering van de agrarische sector onder bezielende leiding van minister Sicco Mansholt. Als PvdA’er combineerde hij twee doelen: Genoeg en betaalbaar voedsel voor de hele bevolking en een redelijk inkomen voor de boeren. Dat kon met een hogere opbrengst per dier en per hectare tegen lagere kosten. Er kwam geld voor bedrijfsverbetering.  Na ruilverkavelingen op grote schaal konden de boeren efficiënter gaan werken.

De Landbouwhogeschool in Wageningen zette onderzoek in om elk facet van de veehouderij en de akkerbouw te verbeteren. De standsorganisatie vormden een sterke lobbygroep, het ‘groene front’ , waar andere sectoren jaloers op waren. Juist de Nederlandse boeren profiteerden van het Europese landbouwbeleid met open grenzen voor hun producten, garantieprijzen en subsidies voor van alles.  

Heel langzaam drong door dat dit succes ook de ondergang van het machtige agrarische bolwerk kon zijn. Juist door die doelmatigheid brokkelde zijn macht af, ook in Friesland. De trekkers, maaidorsers, melk- en rooimachines rukten op. Er waren steeds minder handen nodig, op de pleats zelf en in de verwerkende industrie. De werkgelegenheid in de landbouw daalde met tienduizenden banen. De revolte in de landbouw raakte ook de coöperaties. In de jaren zeventig telde Friesland nog 77 coöperatieve zuivelfabrieken die ruim tachtig procent van de melkplas verwerkten. Daar is nu nog een handvol van over.

Uit de Friese zuivelcoöperaties ontstond weliswaar de multinational FrieslandCampina, maar het hoofdkantoor staat in Amersfoort, niet in Leeuwarden. Ook de macht van de coöperatieve verzekeringen verdween door fusies uit Friesland. De boeren lieten het gebeuren. Evenmin slaagden ze er in bij de supermarkten een betere prijs voor zichzelf af te dwingen. Ze volhardden in het streven naar een zo laag mogelijke kostprijs door schaalvergroting en doelmatigheid. Nog minder boeren, nog minder banen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw zakte het aandeel van de landbouw in de Friese economie al tot onder de tien procent. Nu is het minder dan zes procent.

De boeren van nu zijn een kleine minderheid in een in een maatschappelijk krachtenveld dat voortdurend in beweging is. In de jaren zestig verloren de kerken hun greep op de samenleving. Mondige burgers maakten zich los van de zuilen. De Friese boeren hadden altijd steun gevonden bij de confessionele partijen en de VVD, die in Friesland maar een bescheiden rol speelde. De ARP, CHU en de RKSP/KVP vormden het stabiele machtsblok waarop de agrarische sector kon rekenen. De kentering kwam na 1970. Het drietal nam dat jaar in Friesland een voorschot op het CDA-in-wording met een gezamenlijke lijst. Ze waren toen samen nog goed voor 42,7 procent van de Friese kiezers. 

Dat werden er daarna steeds minder. In 2019 haalde het CDA nog maar 16,7 procent, goed voor acht van de 43 zetels. Het kiezersvolk zorgde voor steeds grotere verschuivingen. Er kwamen nieuwe partijen die ook zo maar weer konden verdwijnen. De ooit machtige provinciale standsorganisaties gingen op in LTO-Noord. Die heeft soms meer te stellen met de eigen achterban dan met de overheid. Het uitgedunde `groene front’  is versnipperd. De boeren voeren een puur defensieve strijd waarbij een deel radicaliseert. 

De kundige vergaderboeren worden opzij gezet door activisten met trekkers en rabiate teksten. In Friesland droegen de boeren met hun coöperatieve instelling bij aan de bestuurscultuur van overleg en samenwerking. Ze hadden werkgelegenheid en welvaart in de aanbieding en dat was wat de samenleving vroeg. De nieuwe vertegenwoordigers vertolken de onvrede en verongelijktheid van een bedreigde minderheid. Ze lopen met hun tactiek van houden wat we hebben ver achter bij de maatschappelijke ontwikkelingen waarin natuur en klimaat steeds pregnanter aan de orde worden gesteld. De jonge garde mist een zuiver politiek kompas. Ze loopt achter de eerste de beste verleider aan die alleen lippendienst aan het boerenbelang hoeft te bewijzen. Van Thierry  Baudet via Wybren van Haga naar de BoerBurgerBeweging van Carolina van der Plas.

Zo dragen ze bij aan de polarisatie en verruwing die het publieke debat tegenwoordig kenmerken. De geluiden in de CDA-fractie van 2019 zijn echo’s uit een glorierijk verleden. 

Andere berichten deze week