Lappendeken & landschap door Sanne van Balen

13 juni 2022
Lappendeken & landschap door Sanne van Balen

Het is de eerste zondagmiddag van mei, de lucht achter mijn ouderlijk huis is zacht blauw en gevuld met melkwolken. Mijn moeder en ik hebben de koffie op en onze truien uitgetrokken. Het is onweerstaanbaar lente, langs het fietspad hoge rijen fluitenkruid, vlak boven het gras vliegen de meikevers loom hun ochtendgymnastiek rondjes. Ook de kastanjeboom bloeit in uitbundige trossen. Een paar brandnetels in de slootrand hangen in zichzelf gekeerd naar beneden, de boer die het land achter huis beheert, heeft gif gespoten. “Precies tot de helft van de sloot”, sprak hij tot mijn vader die op hem af was gerend. In de lange sproei-armen had die het onheil zien naderen voor zijn biologische groentetuin. Dit jaar is er voor het eerst tarwe gezaaid in ons uitzicht op de skyline van Boornbergum. Omdat de boer bang is zijn koeien niet meer te kunnen voeren nu de prijzen zijn gestegen. De oorlog in Oekraïne is ook in Boornbergum zichtbaar.

Ik ben opgegroeid aan een straat zonder naam. Tenminste, al een tijdje worden de straatnaamborden gestolen. Straatnamen die fysieke betekenis geven aan plaatsen die aanwijsbaar zijn op een kaart. Maar blijft iets bestaan als de taal ervoor er niet meer is? Ook als het nog wel aanwijsbaar is in de realiteit? Heeft iets een naam nodig?

Mijn moeder en ik hebben het oude linnenrek uit de schuur gehaald, de bovenste balk ontbreekt. Het rek lijkt instabiel maar blijft overeind. Samen draperen we de enige quilt van oma, mijn moeders moeder eroverheen. Het is de enige die we nog thuis hebben, de andere quilts liggen veilig opgeslagen in beschermende dozen in Witmarsum. Af en toe worden ze uitgeleend voor tentoonstellingen. Op dit moment hangen er een stuk of tien in de doopsgezinde kerk in Leeuwarden. Ooit waren er wel meer dan tachtig.

Vlak na de tweede wereldoorlog was er een grote groep vluchtelingen uit Oekraïne naar Irnsum gekomen. Daar was mijn opa op dat moment doopsgezind predikant. Hij en zijn vrouw vingen iedereen op die hulp nodig had. In de oorlog hadden vele onderduikers in hun huis geschuild. Na de bevrijding hadden ze al het beddengoed verbrand vanwege het ongedierte. Mijn oma vroeg het MCC, Mennonite Central Committee, om beddengoed. Wat ze kreeg was een lading dunne lappendekens. Ze vroeg opnieuw om beddengoed. Er kwamen nog meer dekens. Het waren quilts die in Amerika door vele quiltgroepen geknoopt waren van alle lapjes stof die maar voor handen waren. Pas decennia later kwamen deze verhalen van oma pas boven, de quilts bleken de hoeders van de oorlogsherinneringen. Erop volgde het boek ‘Passing on the comfort / De verbindende kracht van Quilts’ (An Keuning-Tichelaar en Lynn Kaplanian-Büller) en vele tentoonstellingen met de overgebleven quilts. Ik was toen een jaar of elf en weinig geïnteresseerd in die oude lappen van oma.

Mijn moeder en ik kijken naar de kleine sprei, die van ver af bijna op lijkt te gaan in het landschap. Onverwachts voelen we allebei dat er iets klopt. Misschien zijn het de mintgroene harten op de deken, de grassige horizon, de lichtblauwe strepen in de stof of gewoonweg de kerk in de verte. We komen dichterbij en traceren met onze vingers de naden. Mijn moeders vingers zitten vol met kloven, haar rafelige vingertopjes zijn niet langer geschikt voor touchscreens. Wel voor onkruid wieden en stoepjes schoonkrabben. In haar huid staat het tuinieren gegraveerd als een zeer levendig landschap. Ze is voorzichtig, er blijven geen haaltjes stof aan haar handen hangen. De quilt is kwetsbaar en mag niet meer als sprei gebruikt worden, maar moet zorgvuldig bewaard worden als een kostbaar kunstwerk. Nu ik er zo dicht op sta, zie ik voor het eerst dat geen enkel lapje dezelfde is. Ook dat is onverwachts. Het zouden overhemden, shirts of lakens kunnen zijn geweest. Sommige vierkante repen zijn teer en pillen, de stof vergaat. We kijken ingespannen. We zien de verschillen in borduurtechniek. We zien hoe de steken soms slordig en soms netjes doorgepit zijn. “Dit moet ze gerepareerd hebben”, zegt mijn moeder wijzend op een klein licht paars hoekje. Er puilen dikke blauwe steken uit. “Dat is een oude pyjama van vader, ik zie het hem nog dragen”, zegt Ze.

Met diezelfde tracerende vingers, vind ik mijzelf de eerste woensdag van mei in Museum Opsterlân, Gorredijk. Ik dwaal met mijn vingers over oude plaatsnamen, waterwegen en legakkers op kaarten van Eekhof, Vegelin en Schotanus. Ik heb het gevoel dat ik iets zoek. Het licht van de benedenzaal is fel, ik zie naast mijn vingers met afgebeten nagels vooral de scherpe contourlijnen van de schaduwen die ik maak. Schaduwen. Contouren. Lijnen. Naden. Steken. Wegen. Dyken, Dijken. Wijken. Ik moet daar iets mee.

Ik word opgehaald door een smalle man, stoppelbaard, bril, lange blik. Zijn blik gaat diep de verte in alsof hij daar dingen ziet die er niet meer zijn, maar wanneer hij kijkt verschijnen ze weer. Hij schijnt veel van taal en de leegte van landschappen te weten. We hebben het meteen over het woord landschap. Hoe het opgesplitst kan worden, hoe het refereert aan ‘schepping’ en ‘gedaante’. “Landschap was vroeger een technische term uit de schilderkunst om het doek aan te duiden in vorm. Niet zozeer de mentale ruimte die we het nu toe dichten,” zegt hij. Ik heb veel mensen gevraagd mij plekken in Opsterland te laten zien die iets voor ze betekenen. Ik bezocht al it Sudergemaal, voormalig cafe de Ûlesprong. En heel veel begraafplaatsen, die van Bakkeveen, Siegerswoude, Wijnjewoude, Tijnje en Kortezwaag. Ik heb denk ik alle doden van Opsterland toegeknikt.

De smalle man en ik beginnen op een kruispunt in Gorredijk, de hoeken van de gebouwen in onze richting gekaderd. Naast de Koorenbeurs staan drie mannen in kloffies waarvan één op klompen. De smalle man houdt net als ik een notitieboek vast. Ik ben van plan alles wat ik tegenkom te noteren of te tekenen. Hij wijst naar de ene kant van de Compagnonsvaart en naar de andere. Hij duwt mijn blik naar het einde, daar, achter, daar is het land nog open. “Dit gebied is ontstaan in blokjes”, zegt hij. Ik teken gauw een paar vierkanten in mijn boek. Hij vertelt dat hij opgroeide in het hoekpand met de grote ramen aan het eind van de Hoofdstraat. Achter waar nu een rotonde ligt, ging hij op zoek naar kievitseieren. Hij kijkt naar het donkergroene water in de vaart “…de Friese rechte lijn mag best wat zwieriger worden”. Ik weet niet precies wat hij bedoelt, maar ik teken in ieder geval een kronkelende lijn door de vierkanten heen. Volgens hem is er iets verdwenen uit Gorredijk. Een vorm van rebellie, van levendigheid. Hij vraagt zich hardop af waarom. Omdat het niet terug te vinden is in het landschap? Wil men het niet zien? Of weet men niet wat te zien? Heb je iets tastbaars nodig om het je te herinneren? Ik denk aan de straatnaambordjes, maar ik denk ook aan de tachtig jaar oude quilts. Mijn oma is er niet meer, de quilts en de verhalen nog wel. Zolang die stoffen nog niet vergaan zijn, kunnen we nog bij die geschiedenis. Zolang we taal die daarbij hoort maar beheersen.

We rijden naar de Trijehoeke richting de Sweach. Ik vraag me af wat ‘sweach’ eigenlijk betekent. Langs de weg staan hoge palen met daarop takkige nesten voor ooievaars. De smalle man brengt me naar Âld Beets, de bakermat. Hij weet niet zeker of we er kunnen komen, want het is een gehucht. Ik vertel niet dat ik op nog geen kilometer afstand ben opgegroeid. Het glimmende witte plaatsnaambord aan de weg straalt ons tegemoet. Witte borden hebben in het verkeer geen betekenis. Dit bord betekent dus dat het niks betekent? Langs de carpoolstrook rijden we op de kerk toe die er niet meer is. De grafzerken eromheen staan allemaal west-oost georiënteerd. Ik heb me laten vertellen dat hiermee de doden zich gelijk in de goede richting begeven als Jezus ze opwekt bij zijn wederkomst. Vanuit hier ligt Jeruzalem n het oosten. Dus men heeft uitgedacht dat het hoofd van de overledene in het westen moet liggen en de voeten in het oosten.

De man vertelt dat de kerk is afgebrand, een opgehoogd grasveld en stenen in het gras tonen waar de muren ooit stonden. Hij vertelt over een kunstenaar. Iets met wilde feesten. Rode vlaggen. De man benoemt de vogels die hij hoort. De geelgors. De leeuwerik. De vink, de vinkenslag. Ik hoor niets. Ik hoor gekwetter, maar dit is een taal die ik niet spreek. We lopen van grafsteen naar grafsteen. De smalle man wordt gecremeerd zegt hij, zoals het er nu uit ziet. Hij heeft nog nooit nagedacht over wat hij achter laat, zegt hij als ik het hem vraag. Hij stelt mij de vraag terug. Ik denk na, ik blader in mijn boek en zie vooral de vierkanten die ik tot nu toe tekende. Ja vierkanten, nog steeds.

Aan de westkant van de begraafplaats vallen onze blikken samen op een hele specifieke grafsteen. Er is iets mee. Op deze zerk staat een tekst die net niet gecentreerd is. De uitlijning gaat onhandig ver naar links, alsof de steen groter was maar iets te strak is afgezaagd. En dat niet alleen, deze steen staat gedraaid met de voeten in het westen.

Onder de naam en data staat de volgende tekst:
Het landschap van deze dag
Een weggetrokken schoot
Een uitgekrabte holle vlakte
Iedereen is weg
Een voor een

Het voelt alsof we op een plek zijn waar iets onthuld wordt. Of misschien onthult iets zichzelf. De smalle man en ik kijken op, richten onze blik op Nij Beets en weer terug. We lopen om de steen heen, en op de achterkant vinden we ook een naam. In plaats van dat het voelt alsof we iets gevonden hebben, lijkt de speurtocht hier pas te beginnen. Wie waren deze mensen? Waar komt die tekst vandaan?

Het landschap van deze dag
Een weggetrokken schoot
Een uitgekrabte holle vlakte
Iedereen is weg? Een voor een?

Het is zoals ik mijzelf als zestienjarige in Friesland zag. Ik wilde weg, ik wilde uitvliegen als de ljip, maar dan zonder eerst eieren te leggen. Wegtrekken uit de moederschoot. “Plaatsen krijgen vaak betekenis wanneer er een breuk is geweest met het verleden. Wanneer er iets weg is”, zegt de smalle man.

Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Ik sta naar grafstenen te kijken alsof er betekenis uit moet opdoemen. Ik ben deze man gevolgd die een plek koos die zo dicht bij mijn ouderlijk huis is dat ik me afvraag of ik niet beter thuis had kunnen blijven.

Ik besluit mijn moeder te vragen naar plaatsen die voor haar van betekenis zijn. Ze neemt me mee naar De Deelen waar we via een houtsnipperpad in kunnen. We knerpen over vlonders en steigers die de drijvende gras- en rietlanden aan elkaar verbinden. Vroeger lag er turf te drogen, nu banjeren er mensen met honden. De grond is kurkdroog en heeft kartelige barsten. Ik zie de aarde splijten en naar adem happen. Er is iets met grondwaterstanden, iets met grondoxidatie, klimaatverandering, iets met belangen. Wel gif spuiten bij de sloot, of juist niet? Alleen maar gras en aardappels planten? Of ook een keer tarwe?

Mijn moeder vertelt dat zij vroeger van de andere kant vanaf Aldeboarn kwamen. Ze hadden emmers bij zich. De Deelen was nog niet zo toegankelijk, maar haar moeder, mijn oma, had het ook niet op een simpele zondagmiddagwandeling voorzien. Het was een van hun familieuitjes: het jaarlijkse plukken van bramen. Ze waren ook niet de enigen, er was zelfs iemand die met een rubberboot vanaf het water plukte, dan kon je er veel beter bij. Mijn moeder herinnert zich het deinende moeras waar ze overheen liepen. Met emmers vol paarse vruchten keerden ze huiswaarts en niet veel later stond de kelder weer vol potten bramenjam.

Terug in de auto ritsen de landerijen zich razendsnel aan elkaar. Ik kijk naar petgaten, de dijken. De dyken. In de verte een gemaal en weiland, weiland, weiland zo ver ik kan kijken, sommigen gevuld met pinksterbloemen, anderen net gemaaid. De meeste grasvelden zijn met water afgebakend. Dit land is uitgegraven om schepen turf naar Drachten of verder te laten vervoeren. Nu ligt er kikkergroen op de oppervlaktes en is er geen ark te bekennen. De lucht tilt, alsof het pad verderop in een spiegelgladde rivier verandert en ik roeispanen uit de zijramen van de auto moet steken. Ik moet stevig doorroeien om vooruit te komen, de auto is zwaar en loopt misschien langzaam vol water. Op de navigatie zie ik de genummerde wijken. Vakjes zijn het. Vierkanten. En dan zie ik het opeens. Het landschap spiegelt aan me terug. Dit zijn geen aan elkaar geritste landerijen, maar naden. De sloten zijn de zomen aan de grote lappen stof, de verhalen erin gestikt.

Ik keer terug naar mijn tekentafel en leg de vierkanten neer, het landschap van stof vormt zich vanzelf. In mijn hoofd zit het beeld van die quilt van oma, die zo perfect in het landschap paste. De spelden prikken gaatjes in mijn vingertoppen, ik slijt mijn nagels onder de naaimachine. Iets nieuws ontstaat, alsof ik met naalden sloten schep, wijken rijg en landerijen leeg. Ik kijk pas op als het avond is, door het raam zie ik dat de zon bijna onder is. Mijn moeder haalt nog gauw de was binnen.

Sanne van Balen
29 Mei 2022
Stroomopwaarts 2022

Deze tekst werd geschreven rond het project Stroomopwaarts. Stroomopwaarts is een samenwerking tussen vijf musea in Zuidoost Friesland: Museum Opsterlân, Museum Heerenveen, Vlechtmuseum, Museum Dr8888 en Museum Belvédère. Ieder museum organiseert gedurende Arcadia2022 een eigen tentoonstelling die reflecteert op (een deel van) de cultuurgeschiedenis van Zuidoost Friesland. Daarbij hadden alle musea de hele maand mei een artist-in-residence. Zes kunstenaars reflecteerden op eigen wijze op het gebied. Sanne van Balen, was de hele maand mei te gast in de gemeente Opsterland, terug naar waar ze opgroeide. Als artist-in-residence werkte ze vanuit Museum Opsterlân te Gorredijk aan haar reflectie op het verleden & de toekomst van het landschap dat zich uitstrekt tussen Beetsterzwaag, Tijnje en Bakkeveen. Gebaseerd op verschillende kaarten van Opsterland maakte ze drie quilts die reflecteren op het veranderde veenlandschap.

Sanne van Balen (Boornbergum, 1994) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlandse letterkunde aan de UvA en Beeld&taal aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze exposeerde tijdens Landart Weekend Flevoland (2021) en bij Bosk in Leeuwarden (2022) Eerder publiceerde ze o.a. ij de Internet Gids en in MetropolisM www.sannevanbalen.nl De tentoonstelling van Sanne van Balen is te zien in:

– De Mariakerk, Kortezwaag, iedere dag, 28 mei t/m/ 30 juni
– It Damshûs, Nij Beets, binnen de openingstijden van het museum, 1 juli-31juli 2022

Quilts uit de nalatenschap van An Keuning-Tichelaar zijn te zien in de doopsgezinde kerk te Leeuwarden t/m 11 juni 2022. Tezamen met de comforters die quiltgroepen nu maken voor de vluchtelingen van vandaag.

Door Gitte Brugman:

Andere berichten deze week

Hoofdpartners Arcadia