Arcadia 2022 zit erop. Geniet nog 50 dagen na!

Elke Frysk is een Black Frysk

6 augustus 2022
Elke Frysk is een Black Frysk

Op verzoek van Arcadia en het project De Baren keek Zihni Özdil een week lang rond in Friesland. Hij begon met tegenzin, maar dat draaide snel bij. ‘Zo de Heer leven blies in Adam, heeft Friesland weer leven geblazen in mij’.

‘Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen,

Voel ik het trekken als een eb 

Naar ’t verre, vaste, bruine land…

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree

Van hout in zand.’

(J. Slauerhoff, Een eerlijk zeemansgraf, 1936)

Eigenlijk had ik helemaal geen zin meer om naar Friesland te gaan. De eerste Black Frysk die ik belde – geadopteerd en van kleins af aan daar opgegroeid – om een afspraak mee te maken, zorgde meteen al voor een Huntingtoniaanse botsing der beschavingen. Niet alleen wilde ze op hoge toon weten wat ik precies ging opschrijven, ze eiste ook nog dat ik haar zou vertellen wie ik nog meer zou spreken omdat ze niet met zomaar iedereen in een essay wilde verschijnen. Terwijl ik beleefd haar impertinente vragen beantwoordde, leek het of ze bloed rook. Mijn maag draaide om. 

Het ging me niet eens zozeer om wat ze zei, maar om de bijzonder agressieve en respectloze toon waarop ze dat zei. En hoe langer het gesprek duurde, hoe meer de beschaafde grachtengordel-journalist in mij plaatsmaakte voor de straatjongen uit Rotterdam-Zuid. 

Als je als allochtoon opgroeit in een van de armste wijken van Nederland, waar je dagelijks uitgescholden en in elkaar geslagen wordt omdat je een ‘kutturk’ bent, voel je nattigheid meteen aan. Je leert ook dat je voor je eigen waardigheid moet opkomen. Respect, noemen ze dat. In een flits kapte ik de verbal abuse van de Black Frysk af. ,,Weet je wat, ik vind jouw toon bijzonder onaangenaam. Ik weet niet meer zeker of ik jou nog wil spreken voor mijn essay. Dus denk jij er nog maar eens over na. Dan denk ik er ook nog over na. Fijne dag!’’ En ik hing op in haar gezicht. 

Een andere Black Frysk, eveneens geadopteerd en nu een prominente jonge politicus, benaderde ik dezelfde ochtend. Hij was vriendelijk en beloofde me dat hij ‘eind van de middag laat weten’ of hij me te woord wil staan als ik in Friesland ben. De middag gaat voorbij evenals de avond. Zijn belofte is hij niet nagekomen. Ik merk dat inmiddels mijn humeur erg verpest is. Een hele ochtend aan de telefoon gehangen met Black Frysks om iets simpels als een afspraak te regelen voor mijn essay, maar het enige resultaat is dat ze mijn energie hebben leeggezogen. 

Mijn frustratie botvier ik middels het instrument van Friezenhaat. Ik laat in mijn gedachten mijn onderbuik de vrije loop: ‘Wie denken die ploerten wel niet dat ze zijn? Ik heb vijftien jaar jarenlang reportages gemaakt, columns geschreven, ik ben een bekend publiek figuur, schrijver, oud-Kamerlid nota bene. Nooit eerder ben ik zo respectloos bejegend door mensen die ik benader om te spreken voor een essay. Zelfs een elementair besef van een vrije pers, van onderzoek en verwondering zit niet in de hoofden van die heikneuters die van tevoren eisen te weten wat ik precies ga opschrijven.’

Een week lang lijden

Vanuit dat gevoel overweeg ik zelfs eventjes om de hele exercitie te cancellen. Ik ga me niet een week lang laten vernederen door de onbeschaafde horkerigheid van Friesland. Zelfs niet voor geld. Ten einde raad bel ik Arjen van Veelen, een goede vriend. Toevallig ook de enige Nederlandse essayist tegen wie ik opkijk omdat hij zo goed is in zijn werk. Hij is streng: ,,Nee Zihni, je moet nu juist gaan. Gebruik je gevoel. Ook dit gevoel van weerzin. Zet je lichaam in als radar en schrijf op wat je meemaakt en denkt. Zelfs als het allemaal zo onaangenaam blijkt. Lijden is de grootste inspirator van het schrijverschap.’’ Zijn optimistische woorden beuren me op. Ik besluit alsnog voor een week af te dalen naar dat vreselijke oord Friesland.

Krakend gaat de deur open. Ik loop een donkere Ljouwerter kroeg met een muffe geur binnen. Oud meubilair. Een oude bar. En een lelijk tapijt dat nog ouder lijkt dan de kroeg. Een paar mannen zitten aan een grote tafel te eten. Ze kijken me aan en zeggen niks. ‘Oh sorry’, stamel ik, ‘moet ik hiernaast zijn? Ik wil inchecken in hotel ’t Anker.’ De mannen zeggen wat, maar ik versta het niet. Alleen het woord ‘keuken’ klinkt bekend. Ze wijzen naar de bar. Ik loop daarheen. Achter de bar is de keuken. Daarvandaan klinkt een stem: ,,Ik kom zo bij u!’’ Maar natuurlijk, mompel ik tegen mezelf. 

’t Anker is niet alleen een hotel, maar ook een café. Mijn piepkleine kamer is, geheel in lijn met de rest van het hotel, piepdonker. En ook met een piepklein eenpersoonsbed. Doodmoe van de lange reis plof ik neer op het veel te dunne matras. Uitrusten voor een week lang lijden in Friesland. Ik vervloek Arjen van Veelen.

Volksaard die mij raakte

In het echte leven gebeurt het zelden dat een ervaring compleet, maar dan ook compleet het tegenovergestelde is van wat je er van had verwacht. En in de journalistiek gebeurt dat, kan ik u uit eigen ervaring vertellen, eigenlijk nooit.

Mijn week in Friesland was daarom misschien wel de allermooiste week uit mijn leven, juist omdat al mijn verwachtingen, vooroordelen en vervloekingen volledig op zijn kop werden gezet door de Friese volksaard.

Een volksaard die mij raakte net zoals de vinger van God de vinger van Adam raakt in dat beroemde schilderij van Michelangelo. Zo de Heer leven blies in Adam, heeft Friesland weer leven geblazen in mij. 

Dat begon al meteen met hoe ik me als mens kon bewegen. Voor witte landgenoten zal het misschien lastig zijn om te begrijpen, maar alle Nederlanders van kleur snappen meteen wat ik bedoel als ik schrijf over je ergens een ‘allochtoon’ voelen. Dat gaat over hoe je gepositioneerd wordt door witte landgenoten in de openbare ruimte. Van heel kleine dingen zoals hoe mensen naar je kijken – aan een blik kun je al zien of je ergens welkom bent – tot ergens de deur in je gezicht gesmeten krijgen vanwege je etnische afkomst. In de stad waar ik opgroeide, Rotterdam, voelde ik me altijd een allochtoon. In veel andere plekken in Nederland ook. Toen ik in de zomer van 2020 een oude man die van zijn fiets was gevallen vlak bij een klein dorpje onder het IJsselmeer wilde helpen, schreeuwde hij dat ik van hem moest afblijven omdat hij ‘geen geld bij zich had’. 

In Friesland, de provincie waar volgens mijn grachtengordeliaanse vooroordelen de mensen bot en direct zijn, was nergens deze dynamiek. Niet in Ljouwert en ook niet in de kleinste dorpen. Overal werd ik bejegend met warmte en menselijkheid. De Friezen keken niet naar mijn huidskleur, maar naar mijn karakter. Toen ik van Ljouwert naar Harlingen fietste, ging mijn band lek in the middle of nowhere. Binnen enkele minuten werd ik omringd door mensen uit een naburig dorp die me wilden helpen. Sipke, een man van ongeveer zeventig jaar oud, zei: ,,Blijf hier, ik ben over een kwartier terug.’’ 

Toen ik op Sipke wachtte keek ik uit op de prachtige weilanden. Ik begon me af te vragen waarom ik me zo gelukkig voelde. Was het de schone lucht? Het eerste dat me opviel in Friesland was hoe schoon de lucht is. Letterlijk en figuurlijk een verademing voor iemand die onder de dikke Amsterdamse wolk van fijnstof woont. Maar nee, het gevoel van geluk was genesteld in iets anders. Iets waar ik mijn hele leven lang naar hunker. Iets wat ik zeker niet krijg in Turkije en, in alle eerlijkheid, ook niet in de rest van Nederland: een thuisgevoel. Het gevoel dat je ergens geworteld bent, waar je helemaal jezelf kan zijn en ook als zodanig wordt geaccepteerd.

Menselijkheid

Sipke kwam terug met een grote auto. Uit de achterbak toverde hij een fietsenrek tevoorschijn. Mijn fiets plaatste hij op dat rek en hij reed me helemaal naar een fietsenmaker in Harlingen. In de auto voel ik me een beetje bezwaard en bedank ik Sipke meerdere keren. Sipke wordt boos. Heel bot: ,,Je moet me niet bedanken. Zo doen wij dat hier. Mienskip!’’ Mien-wat?, vraagt u zich wellicht af. Mienskip. Het Friese woord voor gemeenschap. Maar het betekent veel meer dan gemeenschap. Het gaat ook over menselijkheid, zoals het helpen van wildvreemden in nood. Wildvreemden die vol vooroordelen eventjes een weekje komen langsfietsen vanuit de grachtengordel, of wildvreemden in de zin van Black Frysk, die meestal geen eeuwenoude band hebben met Friesland. 

Zo ontmoet ik in Ljouwert toevallig een Black Frysk in een rolstoel, ooit gevlucht uit Somalië. Voormalig tafeltenniskampioen. Samen met een Antilliaans-Nederlandse buurvrouw is hij op weg naar wijkcentrum Schieringen. Of ze zich thuisvoelen in Friesland, vraag ik. Beiden antwoorden volmondig ja. Sterker nog: als ze elders in Nederland zijn, willen ze zo snel mogelijk terug. ,,Het was eerst even wennen’’, zei de voormalige vluchteling annex tafeltenniskampioen er bij, ,,maar zodra je aan de manier van praten went, voel je je hier meteen thuis’’. 

Aan zijn woorden moest ik de hele week denken. Want manier van praten, oftewel de ‘toon’, is van levensbelang voor randstedelingen, zeker de elites. Een plat Frysk accent hoort daar evident niet bij. Dat is dan ‘bot’ en ‘onbeschaafd’. Maar is dat echt zo? Was boer Sipke bot tegen mij toen hij heel bot weigerde mijn dankwoord te accepteren voor het feit dat hij mij, een wildvreemde Turk, uit de nesten hielp? En ben je wel beschaafd als je als hoogopgeleide topambtenaar van de Belastingdienst jarenlang een postmoderne razzia hebt georganiseerd tegen onschuldige allochtone moeders, via nette, ambtelijke woorden? 

Hoe komt het dat ik mijn hele leven lang word gediscrimineerd in de Randstad, maar me onverwachts thuisvoel in het oh zo onbeschaafde en botte Friesland?

Iets dat elke Black Frysk die ik tegenkwam beaamde. Zoals de Turkse winkelier in Ljouwert die zei dat hij en zijn gezin het fantastisch vonden om in Friesland te wonen. Of de zwarte student die mij op een Franeker terras een biertje inschonk: ,,Nooit wat gemerkt van discriminatie hier!” Wow, mompelde ik jaloers, want ik werd in mijn studententijd in de Randstad altijd als enige uit mijn witte vriendengroep uit de rij gehaald door uitsmijters. Op een gegeven moment gaf ik het zelfs op en ging ik niet meer uit.

De ultieme ander

In Friesland ontdek ik gaandeweg dat het juist de fixatie van de Randstad met ‘de Ander’ is, die voor verdeeldheid in Nederland zorgt. Enerzijds verdeeldheid tussen ‘zwart’ en ‘wit’. En anderzijds verdeeldheid tussen de Randstad en het platteland. En de ultieme ander voor een randstedeling is de Fries. De Fries is lid van een compleet ander volk, spreekt een compleet andere taal, en is door de eeuwen heen onderdrukt door ‘Holland’. 

In feite hebben we te maken met een koloniale geschiedenis die, zoals bij elke koloniale geschiedenis, gepaard gaat met een neerbuigende, raciale reductie van het gekoloniseerde volk. Tot 1956 was het zelfs verboden om in Nederland Fries te spreken op school of in de rechtszaal. Daarna mocht het wel, maar alleen als je deed alsof je geen Nederlands sprak. Dat is, zo vertelt de Friese emeritus hoogleraar politicologie Meindert Fennema mij, waarom Friezen altijd begrip hebben voor de onderdrukten, de vertrapten, de minderheden: ,,Het dwarse van Friezen vertaalt zich juist in een sociale inborst!’’

En hoe. Overal waar ik kwam, van Dokkum tot Harlingen, kwam ik volop prachtige historische gebouwen tegen die die sociale inborst van de Friezen illustreren, zoals oude weeshuizen. En in de gemeenten zijn er nog volop wijkgebouwen en buurthuizen. Hoe ze dat voor elkaar krijgen weet ik niet, want in de rest van Nederland moeten gemeenten die wegbezuinigen sinds de eufemistisch gedoopte ‘decentralisaties’ van de PvdA en de VVD.

Nederlandse bureacucratie

Als ik het Ljouwertse buurthuis de Klomp binnenloop, voel ik meteen de menselijke energie. Het bruist, gist en borrelt. Er zijn mensen bezig in de keuken met eten en drinken maken voor de armen. Er is een winkel met gratis kleding voor iedereen die het nodig heeft. Zoals de Friese vrouw die net met haar Turkse man en dochter ge-remigreerd is uit Turkije. In de wirwar van de Nederlandse bureaucratie duurt het maanden voor ze als gezin dingen kunnen regelen, vertelt ze, zelfs zoiets als een bankrekening. In de Klomp vinden ze hulp, steun en kleren. Er is een kapper voor de minima. Inderdaad: waarom heb je geen recht op een fatsoenlijk kapsel als je arm bent? 

Er is een zaal waar mensen geholpen worden een weg te vinden in de digitale dictatuur die de teruggetrokken Nederlandse overheid is geworden. Zelfs ik, zogenaamd hoogopgeleid, word helemaal gek van al die vage taal en al dat gedoe met digids, inlogcodes en sms-controles als ik iets wil regelen met de overheid.

Groot contrast

Het loopt in de Klomp af en aan met mensen die daar weer hun waardigheid als mens vinden. De sfeer is ontzettend democratisch. Ik leer dat de oprichter, Senan, een old-school marxist van Joegoslavische afkomst is die de Klomp ideologisch gedreven heeft weten neer te zetten. ,,Kan niet bestaat niet”, is zijn motto. 

Wat een contrast met de zelfbenoemde progressievelingen die zichzelf zo links vinden maar al die jaren gedwee het neoliberalisme stutten vanuit hun ivoren torens in Den Haag en in Amsterdam. En geen blad voor de mond nemen als ze hun afschuw voor het ‘gepeupel’ botvieren.

Naast al dat zogenaamd linkse gezwets in de Randstad is er in Friesland gewoon een Black Frysk marxist die een enorm buurthuis vanuit de grassroots regelt.

Die zich niet verschuilt achter een ambtelijke papieren werkelijkheid. Zoals een van de sociaal werkers in de Klomp tegen me zei: ,,Je kunt er wel rekenmodellen op loslaten, maar het gaat om perspectief voor de mensen om wie het gaat.”

Aan het eind van mijn week in Friesland, de laatste avond, komen twee dierbare vrienden uit de Amsterdamse grachtengordel langs. We drinken een fles wijn in Café de Toeter. Mijn Amsterdamse vrienden, uit de elite van de mediawereld en de culturele wereld, praten over de dingen waar we in Amsterdam altijd over praten. De zoveelste roddel uit de Amsterdamse uitgeverij-wereld. Wat die en die schrijver over die en die schrijver heeft gezegd enzovoorts. Ik merk dat ik me kapot verveel. Wat een platte, saaie en, ironisch genoeg, dorpse conversaties.

Mijn gedachten dwalen af naar de gesprekken die ik ’s ochtends had bij het ontbijt in Café ’t Anker met andere bezoekers. Zoals het gezin, man met driekwart broek en witte sokken in sandalen, vrouw en dochter in kort pittige kapsels. Terwijl we genoten van de slootwaterkoffie en onze twee plakjes kaas bij ons sneetje brood, vertelden deze zogenaamde ‘ploerten’ verhalen uit het echte leven. Of mijn gesprek in de auto van Sipke, die memoreerde over hoe het landschap in Friesland veranderde sinds dat hij klein was. Of de anekdote van de uitbater van het roemruchte Café Cambuur, die mij een zeer koud en zeer betaalbaar biertje schonk.

Gewaarwording

Plots kom ik, dankzij de sleetse Amsterdamse conversatie van mijn dierbare vrienden, tot de gewaarwording dat Friesland mijn redding is. Als mens, als allochtoon, ja, zelfs als Nederlander. Tevergeefs zocht ik mijn hele leven een thuisgevoel in de Randstad. Toen ik van Rotterdam naar Amsterdam verhuisde dacht ik dat te vinden, want mijn thuisgevoel is niet alleen een plek waar ik me geen allochtoon voel – dat zit wel goed in Mokum – maar waar ik als intellectueel ook uitgedaagd word en nieuwe dingen leer. Laat dat laatste nou compleet ontbreken in de zelfgenoegzame grachtengordel. 

Anders gezegd: mijn hechtingsproblematiek met Nederland heb ik pas echt een plek kunnen geven in Friesland. Het thema van dit essay is Black Frysk. Maar elke Fries is per definitie Black Frysk.

Want ook Friesland is eeuwenlang ge-allochtoniseerd en vernederd door het neerbuigende kolonialisme van Nederland. Ook Friesland heeft hechtingsproblematiek. En wat doe je als je verstoten wordt? Dan raak je sneller gekrenkt, word je sneller agressief. Ik heb daarom ook begrip gekregen voor de Black Frysk die aan de telefoon tekeerging tegen mij. Wist zij veel. In haar ogen was ik de zoveelste pedante grachtengordel-journalist die even ging afdalen naar de wilde inboorlingen. En helemaal ongelijk had ze niet. 

Zelf heb ik mijn conclusies getrokken: het gebrek aan mienskip is wat de rest van Nederland steeds rauwer en onleefbaarder maakt. En ook ik ben, net als elke Fries, een Black Frysk. Mijn levenslange queeste is voorbij. De enige plek in Nederland waar ik me echt thuis, echt geworteld ga kunnen voelen, waar ik intellectueel zuurstof ga krijgen, is Friesland. Daarom heb ik besloten om te verhuizen. Ik hoop binnenkort thuis te komen.

Andere berichten deze week

Hoofdpartners Arcadia